Miracle Apps

De familie

12 woorden in 2 korte units — leer de flashcards en haal alle 4 de spelletjes om de volgende unit te ontgrendelen.

Op deze pagina staan 12 Engelse woorden over het thema ‘De familie’, elk met een afbeelding, de Nederlandse betekenis, een voorbeeldzin en audio ingesproken door moedertaalsprekers. We beginnen met brother (de broer), daughter (de dochter), father (de vader). Alle woorden zijn verdeeld over 2 korte units, zodat kinderen stap voor stap leren en het geleerde meteen testen met 4 minigames.

Units

Alle 12 woorden: De familie in het Engels

Tik op de luidspreker om de moedertaal-uitspraak te horen.

brother

brother

de broer

“My brother and I play games together.”

daughter

daughter

de dochter

“Their daughter is five years old.”

father

father

de vader

“My father reads me a story at night.”

mother

mother

de moeder

“My mother cooks dinner for us.”

sister

sister

de zus

“My big sister helps me with my homework.”

son

son

de zoon

“Their son likes to play football.”

granddaughter

granddaughter

de kleindochter

“Grandma hugs her little granddaughter.”

grandfather

grandfather

de grootvader

“My grandfather tells funny stories.”

grandmother

grandmother

de grootmoeder

“My grandmother bakes the best cookies.”

grandson

grandson

de kleinzoon

“Grandpa plays ball with his grandson.”

husband

husband

de echtgenoot

“The woman and her husband walk in the park.”

wife

wife

de echtgenote

“The man and his wife have two children.”

Voorbeeldzinnen

Zo gebruik je de woorden hierboven in eenvoudige alledaagse zinnen.

Ken je alle woorden van ‘De familie’ al?

Speel nu: De familie

Veelgestelde vragen

Wat is De familie in het Engels?

Op deze pagina staan 12 Engelse woorden over het thema ‘De familie’. De meest gebruikte zijn: brother (de broer), daughter (de dochter), father (de vader), mother (de moeder), sister (de zus), son (de zoon), granddaughter (de kleindochter), grandfather (de grootvader), grandmother (de grootmoeder), grandson (de kleinzoon), husband (de echtgenoot), wife (de echtgenote). Bij elk woord horen een afbeelding, de Nederlandse betekenis en een geluidsopname van een moedertaalspreker die je zo vaak kunt afspelen als je wilt.

Hoe spreek je ‘granddaughter’ uit in het Engels?

Tik op het luidsprekertje naast het woord ‘granddaughter’ (de kleindochter) om de uitspraak van een moedertaalspreker te horen en zeg het daarna twee of drie keer na. Zo gebruik je het in een zin: "Grandma hugs her little granddaughter."

Hoeveel woorden leer je in dit thema?

In totaal 12 woorden, verdeeld over 2 units van 5–10 woorden. Elke unit heeft flashcards en 4 minigames — plaatje raden, luisteren, combineren en spellen — zodat nieuwe woorden meteen spelenderwijs worden herhaald.

Is het gratis?

Helemaal gratis en zonder account: open deze pagina gewoon in je browser, op je telefoon of computer. Je voortgang wordt automatisch op je apparaat opgeslagen. Wil je zonder internet oefenen, dan is er ook de app English For Kids.

Andere thema’s die hierbij passen

Bekijk alle 69 thema’s →